Het fosfaatrechtenstelsel

Op 1 januari 2018 is het fosfaatrechtenstelsel in werking getreden door middel van wijziging van de Meststoffenwet. Op basis van deze wetswijziging heeft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) namens de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het aantal fosfaatrechten per 1 januari 2018 vastgesteld voor de bedrijven die op 2 juli 2015 melkvee hielden. In beginsel werd daarbij uitgegaan van het melkvee dat op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gestelde regels (I&R) is geregistreerd. Deze regeling kent primair een bestuursrechtelijk karakter. Fosfaatrechten kunnen echter civielrechtelijk worden gekwalificeerd als vermogensrechten in de zin van art. 3:6 van het Burgerlijk Wetboek, waardoor ze overdraagbaar zijn en een bepaalde waarde vertegenwoordigen in het handelsverkeer. Vanwege het voorgaande heeft het fosfaatrechtenstelsel ook civielrechtelijke gevolgen. De wetgever heeft er echter voor gekozen geen uitspraken te doen over deze civielrechtelijke gevolgen en het aan bedrijven onderling overgelaten. Dat zorgde in de afgelopen periode voor enkele tientallen procedures. Hierna zal worden behandeld welke rode draad uit de gepubliceerde rechtspraak hierover valt af te leiden.

 Jurisprudentie opfok

Discussies over de rechtsverhouding tussen bedrijven die de opfok van hun jongvee hadden uitbesteed en opfokbedrijven, leidden de afgelopen periode tot de meeste uitspraken. Er werden op www.rechtspraak.nl zeven kortgedinguitspraken gepubliceerd (eerste aanleg), negen bodemzaken in eerste aanleg en één bodemzaak in hoger beroep. Daaruit is een duidelijke lijn af te leiden.

Houder van dieren

Op basis van de Meststoffenwet zijn fosfaatrechten door RVO toegekend aan de (bedrijfsmatige) veehouder die houder was van het melkvee op 2 juli 2015. In de wetsgeschiedenis werd opgemerkt dat wat betreft het begrip ‘houden van dieren’ het gaat het om het feitelijke houderschap. Het is van ondergeschikt belang of de houder ook de eigenaar van de dieren is. In het geval van opfok van jongvee gaat het voor wat betreft de toekenning van de fosfaatrechten dus niet om wie de eigenaar was van het jongvee op 2 juli 2015, maar om de feitelijke houder van de dieren (wie feitelijk de dieren in zijn stal onderbracht, op zijn land weidde en de verzorging op zich nam). In navolging van meerdere rechtbanken, overwoog het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch in zijn arrest van 28 april 2020 dat de datum van 2 juli 2015 op zichzelf een willekeurige datum is en dat het toekennen van fosfaatrechten aan de houder van de dieren, en niet aan de eigenaar, een bewuste keuze van de wetgever was (ECLI:NL:GHSHE:2020:1449). Deze keuze ligt volgens het hof ook voor de hand, omdat het fosfaat bij de houder is geproduceerd. De fosfaatrechten betreffen de productie van fosfaat voor een heel kalenderjaar. De fosfaatrechten die aan veehouder zijn toegekend voor de dieren die op 2 juli 2015 op zijn naam als houder stonden geregistreerd, betroffen dus het fosfaat dat dit aantal dieren in het hele jaar produceerde. Daarbij behoeft het natuurlijk niet om dezelfde dieren te gaan. De dieren kunnen in de loop van het jaar zijn of worden vervangen door andere dieren.

Onderlinge afspraken

Wanneer de vraag is beantwoord wie de houder is van de dieren (meestal de opfokker), moet worden bepaald of de rechtsverhouding tussen partijen met zich meebrengt dat fosfaatrechten geheel of deels desondanks aan de ander toekomen. Allereerst is daarvoor van belang of partijen daarover iets zijn overeengekomen. In de meerderheid van de gepubliceerde zaken hadden partijen hier niets over afgesproken. Een van de uitzonderingen vormt de zaak die leidde tot een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland op 29 maart 2018 (ECLI:NL:RBNNE:2018:1221). Partijen hadden in hun overeenkomst opgenomen dat voor het geval er tussentijds veranderingen mochten komen ‘vanaf het ministerie oid bijv dierrechten of vergoedingen in geval van ruiming (mkz of andere ziekten)’, deze rechten voor melkveehouder zouden zijn die de opfok had uitbesteed. De voorzieningenrechter oordeelde dat de opfokker redelijkerwijs had kunnen en moeten opmaken dat de bepaling de ruime strekking had om alle rechten die verband hielden met toekomstige overheidsmaatregelen en die samenhingen met het stallen van het jongvee op zijn bedrijf, in de onderlinge verhouding te laten toekomen aan de melkveehouder. De opfokker werd aldus veroordeeld de fosfaatrechten die betrekking hadden op het jongvee aan de melkveehouder over te dragen. In een ander kort geding oordeelde de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op 30 juli 2018 dat niet voldoende was vast komen te staan dat partijen waren overeengekomen dat degene die de opfok had uitbesteed, aanspraak kon maken op de fosfaatrechten (ECLI:NL:RBMNE:2018:3645). In die overeenkomst was vermeld: “Eventuele dierpremies die Opfokker ontvangt en die betrekking hebben op de Dieren geleverd door [wederpartij] (…), worden rechtstreeks en zonder voorbehoud doorgestort aan [wederpartij] (…)”en “De geproduceerde mest en alle transacties die samenhangen met het houden van de Dieren komen op naam van de Opfokker. De Opfokker is verantwoordelijk voor het voldoen aan de gebruiksnormen (dierlijke) meststoffen overeenkomstig de Mestwet. (…)” De voorzieningenrechter overwoog dat voorshands niet duidelijk was wie van partijen op dit punt het gelijk aan zijn zijde heeft. Daarvoor is nader feitenonderzoek vereist, dat buiten het bestek van dit kort geding gaat.

Redelijkheid en billijkheid

Wanneer de vraag aan wie de fosfaatrechten toekomen, niet kan worden beantwoord op basis van de bepalingen in de overeenkomst, resteren nog enkele andere grondslagen om tot een andere verdeling dan die van de oorspronkelijke toekenning door RVO over te kunnen gaan. Allereerst werd vaak een beroep gedaan op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 BW). Melkveehouders die de fosfaatrechten eisten van opfokkers, betoogden vaak dat zij eigenaar waren van het vee, dat zij het ondernemersrisico droegen voor het vee en dat ze de fosfaatrechten nodig hadden wanneer ze de opfok weer zelf zouden uitvoeren. Dergelijke argumenten van melkveehouders werden keer op keer door rechters terzijde geschoven. Zo overwoog de Rechtbank Overijssel in een uitspraak van 9 januari 2019 (ECLI:NL:RBOVE:2019:565) dat de opfokker de fosfaatrechten zelf nodig heeft om zijn opfokbedrijf uit te kunnen blijven oefenen. In geval van opfok is er geen sprake van een kortdurende, tijdelijke stalling van vee waardoor het jongvee bij toeval op 2 juli 2015 bij de opfokker was gestald, in tegenstelling tot het geval van in- en uitscharen (dat hierna behandeld wordt). Om die reden vormt de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid geen reden om aan te nemen dat de fosfaatrechten aan de melkveehouder toekomen in plaats van aan de opfokker.

Pacht

Een opfoksituatie is evenmin op één lijn te stellen met pacht, zo overwoog het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch in zijn arrest van 28 april 2020 (ECLI:NL:GHSHE:2020:1449). Pacht ziet in het algemeen niet op de situatie dat de een het vee houdt voor de ander. Ook aan de motivering die ten grondslag ligt aan de beslissing van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 maart 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:2544) om onder omstandigheden aan de verpachter een aanspraak te geven op een deel van de fosfaatrechten van de pachter, valt volgens het hof geen steekhoudend argument te ontlenen ten gunste van degene die de opfok heeft uitbesteed.

Ongerechtvaardigde verrijking

Verder wordt vaak de grondslag ongerechtvaardigde verrijking ter berde gebracht (artikel 6:212 BW). In het laatstgenoemde arrest en in alle rechtbankuitspraken wordt dit argument afgewezen. De gestelde verrijking van de opfokker door het toekennen van de fosfaatrechten is niet ongerechtvaardigd. De verrijking volgt immers uit een bewuste keuze door de wetgever. Bovendien zorgt de verrijking van de opfokker er niet voor dat de degene die de opfok heeft uitbesteed, is verarmd. Haar vermogen is niet aangetast doordat de opfokker de fosfaatrechten zijn toegekend en bovendien had degene die de opfok uitbesteedde de fosfaatrechten niet nodig, omdat zij het jongvee niet zelf hield. Zij heeft dus voor een ongewijzigde bedrijfsvoering haar vermogen niet behoeven aan te wenden om fosfaatrechten te kopen voor het houden van dit aantal dieren.

Burgerlijke vruchten

Ook het argument dat dat fosfaatrechten burgerlijke vruchten in de zin van artikel 3:9 BW zijn, die worden voortgebracht door de eigendom van het jongvee, zodat de eigenaar van het jongvee ook de eigenaar is van de afgescheiden fosfaatrechten, mocht niet baten. De Rechtbank Den Haag oordeelde op 14 augustus 2019 dat niet is onderbouwd dat hiervan sprake is (ECLI:NL:RBDHA:2019:8409).

Eindbeeld

Het beeld dat overblijft van alle opfokzaken die tot nu toe gevoerd zijn, is dat de eis van degene die de opfok heeft uitbesteed tot overdracht fosfaatrechten dan wel schadevergoeding, in de meeste gevallen werd afgewezen. Dit lijdt uitzondering wanneer partijen onderling vooraf waren overeengekomen dat fosfaatrechten niet aan de opfokker zouden toekomen.

Jurisprudentie inscharing

Naast uitspraken over opfokrelaties, zijn er in de afgelopen periode een handvol uitspraken gepubliceerd over in- en uitscharing.

Wettelijke regeling uitschaarders

De wetgever heeft expliciet aandacht geschonken in de fosfaatwetgeving aan de situatie van in- en uitschaarders. Artikel 23 lid 5 van de Meststoffenwet gaf de landbouwer die melkvee had uitgeschaard de mogelijkheid om de ongewenste gevolgen van de fosfaatregeling te vermijden door voor 1 april 2018 RVO te verzoeken de fosfaatrechten voor het uitgeschaarde vee alsnog aan de uitschaarder toe te kennen. Daarvoor was echter wel de medewerking van de inschaarder vereist en de wet legde het benutten van die mogelijkheid daardoor geheel in handen van partijen.

Wanneer is sprake van in- en uitscharen?

De wetgever heeft niet geregeld wat het gevolg zou zijn, indien de desbetreffende melkveehouders er onderling niet uit zouden komen. In de Meststoffenwet is evenmin gedefinieerd wat wordt bedoeld met in- en uitscharen. De Rechtbank Overijssel overwoog in een uitspraak van 9 januari 2019 dat voor de vraag of sprake is van in- en uitscharen van belang is of vee een lange – of korte tijd door een ander dan de eigenaar gehouden wordt en of die ander belang heeft bij de fosfaatrechten voor zijn bedrijfsvoering (ECLI:NL:RBOVE:2019:565). Volgens de rechtbank was het de bedoeling van de wetgever dat zij die vee hielden op basis van in- en uitscharen op 2 juli 2015 de toegekende rechten aan de eigenaar overdragen, maar ook dat veehouderijbedrijven over voldoende fosfaatrechten beschikken om hun bestaande exploitatie voort te zetten. De situatie van in- en uitscharen verschilt van een opfoksituatie, aangezien bij opfok geen sprake is van een kortdurende, tijdelijke stalling van vee door de ene veehouder bij de ander waardoor het jongvee bij toeval op 2 juli 2015 bij de een gestald was. Er is bij opfok volgens de rechtbank sprake van het structureel stallen van jongvee bij de opfokker.

Onderlinge afspraken

Ook in deze relatie dient in eerste instantie de vraag te worden beantwoord of partijen van tevoren iets over de verdeling van fosfaatrechten zijn overeengekomen. Net als bij opfok is dit in uitspraken over in- en uitscharing zelden het geval. Vervolgens doen ook uitschaarders een beroep op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid ter rechtvaardiging van een overdracht van de fosfaatrechten aan de uitschaarder.

Verdeling pro rato

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland oordeelde daar op 16 oktober 2018 over dat op grond van de parlementaire geschiedenis de fosfaatrechten dienen te worden verdeeld tussen de inschaarder en uitschaarder (ECLI:NL:RBNHO:2018:8921). Dit oordeel past volgens de voorzieningenrechter ook in de strekking van de gewijzigde Meststoffenwet om (in totaal) niet meer fosfaatrechten toe te kennen dan de omvang van de veestapel per 2 juli 2015. In een bodemzaak oordeelde de Rechtbank Gelderland op 18 december 2019 dat een redelijke toepassing van artikel 23 lid 5 van de Meststoffenwet met zich mee brengt, ook in het licht van de algemene strekking van deze wet, dat de fosfaatrechten – die partijen om niet hebben verkregen, maar die inmiddels een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen – conform de afspraken tussen partijen over de periode van houderschap in dezelfde verhouding moeten worden verdeeld (ECLI:NL:RBGEL:2019:5943). Het gaat in dit soort zaken niet uitsluitend om het belang van de uitschaarder, maar evenzeer om dat van de inschaarder, die deels voor het inscharen van andermans vee zijn bedrijfsvoering heeft ingericht en daarvoor ook over fosfaatrechten moet beschikken. Ook in bijna alle andere uitspraken wordt een verdeling pro rato toegewezen (berekend op basis van de periode van inscharing). Ter verduidelijking het volgende voorbeeld van zo’n verdeling pro rato (Rechtbank Noord-Holland 16 oktober 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:8921). Een melkveehouder schaart in 2015 gedurende 140 dagen vee uit bij een inschaarder. Daarvoor worden aan de inschaarder door RvO 614 kg fosfaatrechten toegekend. De uitschaarder heeft in zo’n geval recht op 225/365 deel van de fosfaatrechten (378 kg) en de inschaarder 140/365 deel (236 kg).

Afsluitend

De wetgever heeft zich bewust niet uitgesproken over de civiele rechtsverhouding tussen veehouders na de invoering van het fosfaatrechtenstelsel. Inmiddels is er de nodige rechtspraak waaruit duidelijk een rode lijn valt op te maken. Kort gezegd mogen jongveeopfokkers in de meeste gevallen hun fosfaatrechten houden en dienen fosfaatrechten tussen in- en uitschaarders pro rato te worden verdeeld.

Ik heb als advocaat al vele boeren bijgestaan in zaken over fosfaatrechten en andere (dier)productierechten. Vragen of benieuwd wat ik voor je kan betekenen? Neem gerust vrijblijvend contact op via 06 340 93 944 of [email protected] Het eerste telefoongesprek is gratis!

De agrarische sector gaat mij aan het hart. Nieuwsgierig naar mijn achtergrond in de mooie sector en wat ik doe voor agrarisch ondernemers? Lees hier meer.

Bovenstaand artikel verscheen in augustus 2020 (aflevering 8) in het Land- en Tuinbouw Bulletin (pagina 10-12).