Hoeveel fosfaatrechten je nodig hebt (en wat dus onder de definitie ‘melkvee’ valt), is een lastige vraag. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO) heeft meermalen het beleid over fosfaatrechten en de diercategorieën gewijzigd en is door de rechter teruggefloten. Hieronder een overzicht van de huidige stand van zaken.

Het fosfaatrechtenstelsel

Op 1 januari 2018 is het fosfaatrechtenstelsel in werking getreden. Op grond van dit stelsel dienen veehouders met ‘melkvee’ te beschikken over voldoende fosfaatrechten. In de Meststoffenwet staat de volgende definitie van ‘melkvee’:

  • diercategorie 100: melk- en kalfkoeien, te weten koeien (bos taurus) die ten minste éénmaal hebben gekalfd en die voor de melkproductie of de fokkerij worden gehouden met inbegrip van koeien die drooggezet zijn alsmede koeien die worden vetgemest en in de mesttijd worden gemolken;
  • diercategorie 101: jongvee jonger dan 1 jaar voor de melkveehouderij, en vrouwelijke opfokkalveren voor de vleesveehouderij tot 1 jaar, en
  • diercategorie 102: jongvee ouder dan 1 jaar, te weten alle runderen van 1 jaar en ouder inclusief overig vleesvee, maar met uitzondering van roodvleesstieren en fokstieren.

Geen fosfaatrechten voor zoogkoeien (diercategorie 100)

Onder diercategorie 100 vallen melk- en kalfkoeien. Met andere woorden, koeien die tenminste één keer hebben gekalfd en worden gehouden voor de melkproductie. Ook koeien die worden gehouden voor de fok van mannelijk en vrouwelijk jongvee ter verbetering van het toekomstige melkvee, vallen eronder. Voor zoogkoeien, dat wil zeggen koeien van een vleesvee-ras, die hebben gekalfd en hun jongvleesvee hebben gezoogd, heb je geen fosfaatrechten nodig. Die vallen onder diercategorie 120. Dit blijkt uit een uitspraak van de rechter (het College van Beroep voor het bedrijfsleven, CBb) van 25 juni 2019.

Diercategorie 101: kalveren

Er is veel onduidelijkheid over diercategorie 101, met name bij vleesveehouders.

Kalveren op melkveebedrijf

Zowel stierkalveren als vaarskalveren op een melkveebedrijf van een melk- of kalfkoe tellen vanaf de geboorte mee voor de fosfaatrechten. Wanneer het betreffende kalf op een melkveebedrijf niet bestemd is om later een melk- of kalfkoe, zoogkoe of fokstier te worden, zijn volgens RvO vanaf 15 dagen leeftijd geen fosfaatrechten nodig (maar de eerste 14 dagen dus wel).

Wanneer een kalf bestemd voor de vleesveehouderij na 14 dagen nog op het bedrijf aanwezig is, kan het kalf vanaf de 15e dag worden overgeboekt naar diercategorie 115 (startkalf voor rosé- of roodvlees) of diercategorie 112 (witvleeskalveren). Dit geldt ook voor kalveren die op het eigen bedrijf worden afgemest.

Fokstieren voor de melkveehouderij jonger dan 1 jaar vallen dus wel onder de definitie van diercategorie 101. Je hebt daar dus wel fosfaatrechten voor nodig.

Kalveren op een vleesveebedrijf

Voor vaarskalveren die op een vleesveebedrijf bestemd zijn als opfokkalf, zijn wel fosfaatrechten nodig. Voor nuchtere kalveren die bestemd zijn om vleeskalf of vleesstier te worden, zijn volgens RvO vanaf de geboorte geen fosfaatrechten nodig.

Voor fokstieren voor de zoogkoeienhouderij zijn geen fosfaatrechten nodig. Ook niet in de leeftijdscategorie van 0 tot 1 jaar. Deze fokstieren vallen niet onder de diercategorie ‘jongvee jonger dan 1 jaar’.

Diercategorie 102: jongvee van een jaar en ouder

Ook over diercategorie 102 bestaat veel onduidelijkheid bij met name vleesveebedrijven.

Jongvee van een jaar en ouder op melkveebedrijf

Voor vrouwelijk jongvee ouder dan één jaar voor de melkveehouderij (die uiteindelijk bestemd zijn voor melkproductie of de fokkerij) zijn wel fosfaatrechten nodig.

Vanaf de leeftijd van 1 jaar behoren fokstieren tot de diercategorie ‘fokstieren’ (diercategorie 104) en zijn er vanaf dat moment geen fosfaatrechten nodig.

Jongvee van een jaar en ouder op vleesveehouderij

Voor al het ‘overig vleesvee’ van ouder dan 1 jaar zijn fosfaatrechten nodig, met uitzondering van roodvleesstieren en fokstieren. Wanneer een rund niet onder diercategorie 122 valt (roodvleesstieren van ca. 3 maanden tot de slacht (inclusief ossen en vrouwelijke dieren die op deze wijze worden gemest) en geen fokstier is, valt het dus onder deze ‘restcategorie’, dus diercategorie 102. Daarvoor heb je dus wél fosfaatrechten nodig. Hier valt bijvoorbeeld vrouwelijk jongvee dat als zoogkoe bestemd is onder.

Bestemming op 2 juli 2015 bepalend

De rechter heeft op 25 juni 2019 bepaald dat de bestemming die een dier op de peildatum (2 juli 2015) had,  bepalend is voor de vraag of er wel of geen fosfaatrechten voor moeten worden toegekend. Je kijkt dus naar de bedoeling die je met het rund had op 2 juli 2015. Of die bestemming na de peildatum wijzigt, is niet relevant. Dus hield je een vaarskalf op peildatum en was je van plan dit kalf uiteindelijk op te laten groeien als zoogkoe, maar is het na peildatum doodgegaan (voordat het zelf een kalf kreeg), dan geldt dat je er wél fosfaatrechten voor moet krijgen.

I&R-registratie leidend, maar tegenbewijs mogelijk

Ook heeft de rechter heeft op 25 juni 2019 bepaald dat de registratie van het vee in het I&R-systeem op 2 juli 2015 in beginsel leidend is. Met andere woorden, er wordt in eerste instantie gekeken naar de diercategorie waar het vee in stond op peildatum. De rechter lijkt echter ruimte over te laten voor tegenbewijs en ook RvO lijkt daarvoor ruimte open te laten. Stond het vee niet juist geregistreerd op peildatum? Dan kun je aan de hand van bewijs RvO/de rechter alsnog proberen te overtuigen wat de juiste diercategorie had moeten zijn.

Goede bijstand belangrijk!

Ik heb voor meerdere veehouders extra fosfaatrechten weten te verkrijgen in discussies over tot welke diercategorie het vee behoorde. RvO gaat daar niet zomaar mee akkoord en het is erg belangrijk dat je het goed verwoord en onderbouwd.

Bel of mail gerust vrijblijvend, zodat we kunnen bespreken wat ik voor je kan betekenen: 06 340 93 944 of [email protected]

De agrarische sector gaat mij aan het hart. Nieuwsgierig naar mijn achtergrond in de mooie sector en wat ik doe voor agrarisch ondernemers? Lees hier meer.